METHODISCH WERKEN

In ons gezinshuis wonen kinderen en jongeren die (tijdelijk) niet meer thuis kunnen wonen. Ze hebben veel meegemaakt en het gaat soms niet goed met ze. Daarom werken wij met bepaalde methodieken en zijn wij ervaren in de hulpverlening aan jeugd. We willen de aan ons toevertrouwde kinderen en jongeren zo goed mogelijk helpen, hieronder beschrijven we onze werkwijze:


1. WIE KAN ER BIJ ONS WONEN?

Onze doelgroep bestaat uit jeugdigen in de leeftijd van 4 t/m 18 jaar.

De kenmerken van deze doelgroep zijn, naast de eventuele cognitieve beperkingen, vooral de beperkingen in het sociaal aanpassingsvermogen en de langdurige of chronische behoefte aan ondersteuning. De aanwezige problematiek wordt vaak versterkt door psychiatrische problematiek (zoals bijv. ADHD, ASS en hechtingsproblematiek). Bij de groep kinderen en jongeren die in aanmerking komen voor het gezinshuis is sprake van (ernstige) gedragsproblematiek waarbij continue sturing, regulering, behandeling, ondersteuning en toezicht nodig is. Op het gebied van de sociale redzaamheid hebben zij veel hulp nodig.

In het algemeen valt te zeggen dat bij elke aanmelding individueel wordt beoordeeld of een plaatsing mogelijk is. Naast bovengenoemde zaken zal worden gekeken naar samenstelling van het gezinshuis op dat moment en of er geboden kan worden wat nodig is.


2. METHODISCH WERKEN

Op welke manier werken we en wat brengen we mee?

Onszelf
Als eerste brengen we onszelf mee. We hebben veel ervaring in de verzorging en behandeling van jeugdigen. Het is belangrijk om te begrenzen. Dat is wat jeugdigen vragen en nodig hebben. Begrenzen is veiligheid. In gedrag maar ook in omgeving en afspraken. Leeftijdsadequaat en passend bij niveau. Jeugdigen die in de afgelopen jaren bij ons waren geplaatst, ontbrak het aan begrenzing. We willen de jeugdigen leren dat er grenzen zijn, dat ze ook zichzelf moeten leren begrenzen. Dit met het oog op de toekomst maar ook zeker in het heden. Weten wat wel en wat niet kan, is de basis voor verdere hulp en ondersteuning. Een positieve en uitnodigende houding is een volgend kenmerk van ons. We geloven dat elke jeugdige zich kan en wil ontwikkelen en helpen daarin door onze benadering. Gecombineerd met humor en luchtigheid zorg dat voor ruimte bij de jeugdigen om te ontdekken wat ze kunnen, waar ze toe in staat zijn. Het praktisch hanteren van methodieken en dat kunnen vertalen naar waarom we dingen doen. In dat alles betrekken we de ouders, zij zijn voor onze jeugdigen het belangrijkst en wanneer ze volwassen worden, is dat het netwerk waar ze over het algemeen mee verder gaan. Geen dag is hetzelfde en we zijn goed in switchen, insteken op wat er zich voordoet. Individueel gericht maar het belang van het totaal niet uit het oog verliezend. We zijn humanist, geloven in de eigen kracht van mensen maar hebben zeker begrip voor religie en andere overtuigingen. Daarvoor bieden we ruimte in ons gezinshuis. De volgende methodische uitgangspunten hanteren we:

Eerste periode in het gezinshuis
Het komen wonen in een gezinshuis, is ingrijpend. Het is daarom erg belangrijk om de volgende uitgangspunten te hanteren in de eerste periode (1 tot 2 maanden)

– minimale eisen stellen aan de jeugdige. Op deze manier kan de jeugdige zichzelf meer laten zien
– onderzoeken welke ruimte een jeugdige aankan.
– volgen van de jeugdige, niet meteen in de structuur van het gezinshuis drukken.
– ontdekken waar de krachten liggen maar ook waar de risico's liggen door verantwoord te experimenteren
– indien mogelijk en verantwoord medicatie afbouwen
– kijken naar het individu

De populatie in de gezinshuizen komt voor het grootste gedeelte uit reguliere residentiële voorzieningen waarbij het opvalt dat er veelal sprake is van een bepaalde mate van hospitalisatie. Deze jeugdigen zijn gewend aan een strak dagprogramma binnen een vaste structuur waarbinnen er minder ruimte is om zelfstandigheid te ontwikkelen. Daardoor vertonen deze jeugdigen veel aangepast gedrag waarmee hun werkelijke persoonlijkheid minder naar voren komt. De eerste periode is er op gericht om de jeugdige zichzelf te kunnen laten zien, binnen aanvaardbare en vooral veilige grenzen. Deze benadering past in de uitgangspunten van uit de Browndale methodiek, waarover later in dit stuk meer.

Normalisatie
Een gezinshuis is zo veel mogelijk gericht op normalisatie van gedrag, omgeving en sociaal netwerk. Dat er elke dag dezelfde verzorgers zijn, geeft de mogelijkheid om dit ook echt te kunnen toepassen. Normalisatie wil binnen een gezinshuis zeggen dat de jeugdigen zo weinig mogelijk de beleving hebben dat ze binnen een instelling wonen. De dagelijkse gang van zaken verschilt niet met die van een “normaal” gezin. Planborden, wisseling van diensten, beloningssystemen en fasering zijn (over het algemeen) niet aanwezig. Het gezinshuis is gezellig en huiselijk aangekleed, de omgang is ongedwongen. Het bespreken van doelen gebeurt binnen een normale context zoals ouders dat soort zaken ook met hun kinderen bespreken binnen de opvoeding. Binnen een gezinshuis kunnen er ook huisdieren zijn en jeugdigen kunnen op een genormaliseerde manier bezoek ontvangen. Het “normale” leven wordt gestimuleerd ook in andere sociale omgang buiten het gezinshuis zoals bij verenigingen of afspreken met vrienden. Normalisatie is de basis waarop ons gezinshuis rust.

Oplossingsgericht werken
Het werken met methodieken of werkwijzen gebeurt ook in een huiselijke, ongedwongen sfeer. Het oplossingsgericht werken heeft als belangrijk kenmerk dat er wordt gekeken naar mogelijkheden en krachten die de jeugdigen in zichzelf hebben. Verschillende technieken vanuit deze methodiek
zoals schaalvragen, krachtbronnen uitvragen en uitvergroten van positief gedrag, zorgen voor
het vergroten van zelfvertrouwen en zelfinzicht. Er wordt minder stil gestaan bij alles dat is gebeurd maar vooral in het hier-en-nu worden plannen gemaakt. Het verleden wordt een plaats gegeven, hetzij door gesprekken of door therapieën.

De Browndale methodiek
Er wordt uitgegaan van de routines, anchorpoints en limits bij de jeugdige.
Routines zijn zaken die dagelijks moeten zoals zelfverzorging, eten en goed slapen. Bij elke jongere wordt gekeken wat passend en helpend is. Routines moeten namelijk gebeuren en zijn niet
onderhandelbaar.  
Anchorpoints, dingen die de jeugdige laat zien of merken wanneer het even moeilijk of spannend is (bv. Gezichtsuitdrukking, druk gedrag, schreeuwen) Het zijn momenten waarop de gezinshuisouders actie ondernemen. Dit kan bv. door het tonen van begrip, troosten of een correctie en het aanbieden van alternatief gedrag. Uitgangspunt is dat een jeugdige gezien wil en moet worden. Op anchorpoints inspelen is onderhandelbaar, een jongere wordt betrokken bij de oplossing.
Limits zijn alle gedragingen die niet zijn toegestaan zoals verbaal of fysiek geweld. Hierover wordt niet onderhandeld maar gehandeld op een manier die is vastgelegd binnen het behandelplan.

Het onderscheid tussen routines, limits en anchorpoints biedt duidelijkheid in het gedrag van de jeugdigen.

Systemisch werken
Ouders en verzorgers hebben binnen het gezinshuis een belangrijke positie. Het is van het grootste belang dat ouders kunnen instemmen met de plaatsing. Het is niet nodig om dit meteen vanaf het begin van de plaatsing te realiseren maar is wel een doel op zich. Een jeugdige kan zich pas helemaal overgeven aan de zorg in het gezinshuis wanneer ouders/verzorgers goedkeuring kunnen geven aan de plaatsing.
Ons gezinshuis werkt dan ook zeer systemisch met als doel om het systeem van oorsprong zo veel mogelijk te betrekken en te laten participeren in het gezinshuis. Dat is zo belangrijk omdat werken aan het totale systeem, het perspectief voor de jeugdige enorm positief beïnvloedt.
Voor ouders/verzorgers kan een plaatsing confronterend zijn omdat het een normale gezinssituatie benadert. Ouders in positie brengen en houden is daarom helpend bij de totale zorg.
Volgend op de systemische benadering is het in kaart brengen en het ontwikkelen van het sociale netwerk van de jeugdige een doel. Vaak heeft de doelgroep in de gezinshuizen een klein tot minimaal sociaal netwerk. Dat heeft met cliëntkenmerken te maken en met de vaak zorgelijke thuissituatie. Door aan deze beide zaken te werken ontstaat er veelal ruimte om het sociaal netwerk te bestendigen en eventueel uit te breiden. Dat kan bijvoorbeeld door in te schrijven bij een vereniging of een baantje te zoeken. Binnen het gezinshuis wordt dit goed onderzocht en worden er plannen op gemaakt.

Alle genoemde methodieken worden gecombineerd toegepast afhankelijk van de situatie en de vraag vanuit de jongere.

Algemene methodische doelen:
- De jongere voelt zich thuis en veilig binnen het gezinshuis.
- Voor elke jongere is er ruimte voor een individuele aanpak
- De jongere beschikt over kennis en vaardigheden die nodig zijn om de ontwikkelingstaken te vervullen. Er is een balans tussen taken en vaardigheden
- Het probleemgedrag van de jongere is verdwenen of naar een acceptabel niveau verminderd doordat de jeugdige adequate      handelingsalternatieven leert en toepast.
- De jeugdige kent de eigen problematiek, mogelijkheden en beperkingen beter en kent en herkent de daarmee gepaard gaande risicofactoren en beschermende factoren beter.
- De jeugdige heeft een (meer) adequate manier gevonden in het omgaan met de licht verstandelijke beperking
- De jeugdige en zijn systeem zijn gemotiveerd voor het wonen in het gezinshuis.
- De jeugdige heeft perspectief op het gebied van scholing / werk, relaties, wonen en vrijetijdsbesteding.

Behandeling
Het is een misverstand dat gezinshuizen vooral een woon/verblijf functie bieden. Er wordt heel veel behandeld binnen een gezinshuis. Ook dat gebeurt op een ongedwongen manier in de normale loop van de dag. Behandeling slaat veel beter aan in een gezinshuis dan op een leefgroep. Dat komt doordat er elke dag dezelfde verzorgers aanwezig zijn waardoor de continuïteit van behandeling geborgd wordt. Behandeling kan bijvoorbeeld bestaan uit systematisch aanpakken van problematisch gedrag, eetproblemen, sociale problematiek of vergroten van zelfvertrouwen. Behandeling in een gezinshuis wordt vastgelegd in het zorgplan en geëvalueerd tijdens een zorgplanbespreking.

Verslaglegging en procedures
Ons gezinshuis voegt zich in de verplichte registratie en protocollen zoals bijvoorbeeld binnen HKZ normeringen zijn vastgelegd en binnen Driestroom gangbaar zijn. Ons gezinshuis voegt zich naar de behandelcontext zoals bij Driestroom wordt toegepast. Daarmee willen we transparant en veilig werken en aantonen dat ons gezinshuis de hulp en ondersteuning biedt die nodig is.

3. WAT BIEDEN WE?
Binnen ons gezinshuis bieden we het volgende:
– veiligheid
– voorspelbaarheid
– elke dag dezelfde verzorgers
– samenwerking met ouders
– transparantie naar betrokkenen (ouders, Driestroom, (gezins)voogden en anderen)
– ontplooiing en ontdekken van mogelijkheden.
– professionaliteit
– behandelcontext

De volgende types plaatsing:

Langdurige plaatsing
De meeste plaatsingen in een gezinshuis betreffen langdurige plaatsingen waarbij geen perspectief op terugplaatsing naar het gezin van herkomst mogelijk is of op dat moment lijkt te zijn. De basis is het wonen en functioneren binnen een gezinssysteem. Daarna wordt toegewerkt naar het uitbreiden van vaardigheden en zelfstandigheid, voorbereiden op de toekomst.

Kortdurende plaatsing
Dit betreft plaatsingen met een bepaalde tijdsduur. Deze plaatsingen zijn gericht op observatie en diagnostiek en terugplaatsing naar het gezin van herkomst (of netwerk- pleeggezin). Gedurende een kortdurende plaatsing, worden ouders/verzorgers intensief betrokken en wordt er een systeemgericht plan opgesteld in samenwerking met andere betrokken partijen.
Gezinshuisouders hebben als het ware een co-opvoederschap met de ouders/verzorgers waarin alles gericht is op de terugplaatsing. Er wordt een tijdsplan gemaakt in samenspraak met alle betrokkenen.

De volgende fasering wordt gehanteerd:

a) kennismaking
b) behandelen (totale systeem)
c) stabiliseren
d) overgangsperiode
e) afsluiten/overdracht

Ouders/verzorgers en gezinshuisouders werken nauw samen aan het einddoel.
Na uitplaatsing is het ook mogelijk dat we ambulant kunnen begeleiden.


Crisisplaatsing
In uitzonderlijke gevallen kan er een crisisplaatsing terecht in ons gezinshuis. Daarbij is het wel een voorwaarde  dat er bij de jeugdige in kwestie geen sprake is van de contra-indicaties zoals genoemd in hoofdstuk 3.1. Een crisisplaatsing is gericht op stabilisatie van de crisis en kan uitmonden in een langdurige dan wel kortdurende plaatsing. Te denken valt aan jonge kinderen waarbij plaatsing op een reguliere crisisgroep te risicovol voor de jeugdige zelf is of wanneer pleegzorg geen optie is. Een crisisplaats duurt zes weken en kan worden verlengd met zes weken. Naast stabilisatie van gedrag en externe omstandigheden, wordt er geobserveerd en bepaald wat de problematiek is en wat daarbij helpend kan zijn. 

Ambulante begeleiding
Wanneer de periode van wonen in een gezinshuis eindigt, is er de mogelijkheid dat Esther en Harry ambulant begeleiden bij een terug-naar-huis-plaatsing. De begeleiding kan bestaan uit praktische ondersteuning of opvoedondersteuning. Dit zorgt voor een betere continuïteit in de zorg. 

Logeeropvang
Wanneer de mogelijkheid er is en bij voorkeur in combinatie met ambulante begeleiding, biedt gezinshuis Woonst logeeropvang.

Situaties van waaruit geplaatst kan worden
– het gezin (of netwerkgezin) van herkomst
–  een crisisvoorziening
–  een reguliere behandelgroep
–  pleeggezinnen

In principe kan een jeugdige vanuit elke situatie in een gezinshuis worden geplaatst. Ons gezinshuis kan naast de woonfunctie ook behandelen of hierin adviseren.

We bieden vijf plekken in ons gezinshuis.